Welkom op Web Tales

De meest innovatieve schrijverswebsite in de Nederlandse taal


bussjoffeur


Geschreven door yvespfgoudket
13 juni 2019 18:24
Categorie: Humor

Leestijd: ca. 8 min.
Aantal keer gelezen: 57 Aantal reacties: 2
Aantal leden : 0
 0
Dit werk heeft op de voorpagina in de spotlight gestaan
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
      BUSSJOFFEUR
                              IN’T
                                      STAD
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Eén
----
Joost ging de medische wagen binnen die geparkeerd stond op de stelplaats. Zoals elk jaar had hij daar een afspraak voor de medische controle, om te zien of hij nog wel in orde was om buschauffeur te zijn.
Joost vond dat altijd behoorlijk lachwekkend, die controle.
 
Joost zette zich in het smalle gangetje in de wagen, achter het deurtje waarop een verbodsteken was gekleefd, hoorde hij de gezapige stem van dokter Bellekes, de dokter van dienst, de enige dokter van dienst die zo’n jobke wou doen, vermoedde Joost.
‘Geft na toe, wie is er zo zot oem nen hielen dag in ne kamion te zitten en den bloeddruk en de ogen van bussjoffeurs na te kaaike’ zei hij steeds als hij weer zo’n ‘oproepingsbrief’ in zijn kastje kreeg.
 
Zijn collega’s en vrienden kenden hem, goedlachs, joviaal, geen racist maar realist en een toffe collega. Joost mag het weten was één van de gevleugelde uitspraken op de stelplaats waarmee ze eigenlijk bedoelden dat eigenlijk niemand het wist en er ook geen flikker mee te maken had of wilde mee te maken hebben, de meeste collega’s probeerden een ‘low profile’ gedrag te etaleren omdat ze wisten dat ze daarmee het minst in de kijker liepen van de over lijken gaande jonge dienstchef die nu al enkele jaren de plak zwaaide op stelplaats Merksem.
‘Een zak van ne vent’, ‘nen bazepoeper ierste klas’, ‘ne klootzak van het kantje’, ‘nen hoerenzoon’, ‘ne degoutaante bastaard’, waren enkele van zijn bijnamen.
Meneer Bollen was zijn naam. Jong en onervaren maar hoog gediplomeerd dankzij KU Leuven en een master behaald in psychologie, net wat ze bij vervoersmaatschappij ‘De volle bus’ nodig hadden, dachten ze….
 
Het deurtje in de kamion ging open en collega Janssens stapte er uit.
“Aha Jaanses, zegt na ni da gaai ze goegekeurd hee!” lachte Joost.
“Jowel joenge, men oge zen zellefs verbeterd tegeover veurig jaor !”
“Allee zwaanst na ni, da kan toch ni hee dokter ?” zei Joost terwijl hij het lokaaltje binnenstapte.
Dokter Bellekes keek hem minzaam lachend aan. Zijn kale kop blonk in het kunstlicht, één grijze lok was van een zijstreep net over zijn oor naar de andere kant helemaal over zijn kale schedel gedrapeerd. Joost vond dat er vies uitzien maar dat kon je uiteraard niet zeggen.
 
“Zet U “
Joost zette zich op de plastiek stoel, net voor het apparaat om de ogen te testen. Dokter Bellekes typte wat op zijn laptop.
“Joost Ramakke, is het niet ?” zei hij terwijl hij over zijn parelmoeren brilletje loerde naar Joost.
“Helemaal korrekt meneer dokteur !”
De dokter knikte en typte verder.
 
“En is er wat veranderd sinds het laatste onderzoek?” vroeg de dokter.
“Ach ja, één ding !” zuchte Joost.
“Oei, en dat is ?”
“K’heb verleeje week nen tand moete late trekke en k’hem er nog mor 28 nu!” glimlachte Joost, terwijl het gat in zijn gebit zichtbaar was.
“Oei, da’s minder maar daar kan je toch een prothese in laten plaatsen!” zei de dokter.
 
Joost keek hem ietwat kwaad aan; “ een prothese meneer dokteur, wette gaai wa da da kost, vierhonder euro ver ien tandje, iene mor hee ! en dan ist nog giene gouwe hee !”
 
De dokter keek hem lachend aan, “maar da gat gaat ge zo toch ni laten hee Joost?”
“T’zal wel moete wachte tot dak men vakantiegeld hem gehad, t’zal dees jaor gien blankenbaarege weurre vreezek !”
De dokter zuchtte alsof hij het begreep.
“Ja dokteur, zucht mor, gaai me oewe sjikke villa in Brasschaat zult wel oep verlof gon zeker?” zei Joost die zich een beetje opwond.
Dokter Bellekes stond recht en nam de bloeddrukmeter.
“Kalm Joost, alles is okee !” zei ie terwijl hij het ding rond de arm van Joost plaatste en het begon op te pompen. Hij keek terwijl naar het wijzertje op de ronde wijzerplaats en luisterde met de stethoscoop naar Joost’s hartslag.
 
Joost zat er gelaten bij.
 
“En dokteur, hemmek nog nen hartslag en nen bloeddruk?”
“Ja, en zelfs vrij goed, bloeddruk 12.9 en hartslag 75 da’s ni slecht Joost”
De dokter ging terug achter zijn burotje zitten. Hij typte weer op het klavier van de laptop.
Dan nam hij een wit plastic bekertje en gaf dit aan Joost.
“Kan je hier wat in plassen en zet dan je bekertje maar in het toiletje !” en de dokter gaf het bekertje aan Joost.
“Kzal probere dokteur mor k ben aaigelaaik al gewest derjust veur dak nor hier kwam!” maar toch ging Joost het kleine toiletje binnen.
Je kon er amper ronddraaien, hij deed zijn broek open en plaste in het bekertje dat hij op het kleine schapje zette naast het toilet, dan deed hij alles weer zoals het moest en ging het toilet uit. Dan stond dokter Bellekes op en ging met zo’n meetstaafje het toilet binnen, even later was hij terug.
“Ook je urine in orde!” lachte hij.
Dan gaan we nu je ogen testen, kijk even in het toestel.
De bekende letter en cijferreeksen kwamen in het zicht. Joost kon ze bijna allemaal lezen, voor iemand van 55 waren zijn ogen nog perfect vond hij zelf.
 
“Prima Joost, dat was het alweer, ik vrees dat ik je weeral moet goedkeuren voor nog een jaartje busplezier!” zei de dokter terwijl hij alweer op zijn laptop aan het tokkelen was.
Joost glimlachte.
Even later rolde een papier uit de printer.
Dokter Bellekes gaf het aan Joost.
Joost wenste hem nog een leuke dag en verliet de wagen.
 
‘Geslaagd tot 2018 ‘ stond er als doktersbesluit onderaan de brief. Joost voelde zich gelaten, hij had niet anders verwacht van dit ‘onderzoek’, zijn bloed was niet nagekeken, zijn hart niet echt, zijn longen en andere belangrijke vitale organen evenmin, maar hij wist wel waarom men dit niet deed, op die manier konden heel veel chauffeurs toch blijven werken als buschauffeur en moest men grondiger controle doen zouden er veel door de mand vallen.
Zelfs Joost, die al jaren tranquilizers nam en zich vaak slaperig en dromerig voelde, zelf tijdens het rijden.
Ook de vele onaangename beginuren speelden hem vaak parten en slapen deed hij slecht.
 
Maar niet getreurd, zodadelijk zou zijn dienst van de dag beginnen, met als eerste rit een ritje vanop de Rooseveltplaats naar Brasschaat, via het asielcentrum van Kapellen.
“Den afrikatoer” noemden de meeste chauffeurs de dienst.
 
Joost stapte even later met zijn rugzak in de hand op de bus die hij vandaag zou gebruiken. Een lange harmonicabus, leuk om mee te rijden maar wel erg lang vond hij.
Joost zette zich achter het stuur, stelde de stoel op zijn hoogte in en startte de motor. Als bij wonder startte de bus onmiddellijk.
“Amaai, der verschietek na van zeg, van den iersten draai on die knop en da dink start, ongelooflaaik !”
Hij haalde zijn geldbeugel en kleingeldtoestel uit zijn zak en plaatste het op de daarvoor voorziene plek; Een radiootje zette hij links tegen het raam en een potje met kauwgom want dat vond hij lekker.
13.55 moet hij vertrekken aan de Rooseveltplaats. Joost zette de halterem van de bus af en zette het vehikel in drive en reed even later richting Rooseveltplaats.
Daar aangekomen had hij nog een kwartiertje de tijd, dus legde hij zijn motor stil en opende de voordeur.
De eerste domme vraag van de dag was al dadelijk een feit; een jonge moslima met hoofddoek bleef voor de open deur staan en vroeg “moge wi al oepstappe menier?”
‘neeje trut, ik doeng die deure zomaar ope!’ dacht Joost nog, “maar natuurlijk juffrouw daarvoor zen de deure open hee !” zei hij slim, de moslima lachte zuur en haastte zich naar achter zonder een geldig vervoersbewijs te laten zien.
Joost zag zijn collega het perron naast hem inrijden.
“Hey John, oe ist ?” riep hij vanuit de cabine.
John stak zijn duim op en opende zijn raam, “ goe jonge en me aa”?
“Oek goe” lachte Joost.
Een zwarte man kwam intussen aan het raam links kloppen, dat haatte Joost, de deur stond open dus waarom kon deze man niet gewoon daar komen staan.
Met tegenzin opende Joost het raam.
“Minieer ikke iet vrage? Mechelen?” zei de zwarte man.
“Mechelen? Nee, da’s aan den overkant meneer!” zei Joost en wees naar de andere kant van de Rooseveltplaats.
De man knikte en stapte weg, naar de bus van collega John.
“Mechelen?” hoorde hij de man nog roepen. John knikte nee. Dan ging de man verder en verloor Joost hem uit het oog. Het was een redelijk warme aprilse dag. En af en toe zag je een mooie vrouw met kort rokje of een leuk decolleteetje, daar hield Joost wel van.
“Een dame kwam naar zin bus toe!”
“Meneer rijdt U eerst door of rijdt Uw collega eerst door?” vroeg ze.
Joost werd daar een beetje nijdig door.
“Madam ik raaij deur oem 5 voor 2 en oem hoelaat mijne collega deur raait weetek ni en wille koek ni wete!”.
De dame zuchtte.
Joost ook, toen ze het perron verliet om bij John in te stappen.
Een vreemde kwam de bus op.
“Hoe laat chij fertrek ?”
“Subiet!” zei Joost, want hij wist twee dingen zeker, deze man zou de volgende halte al terug afstappen en ten tweede had deze zeker geen geldig vervoersbewijs.
“Ja maar oeveel minoet?”
“1 kwartier nog” loog Joost en hij zag de man vertrekken.
Hij wilde net zijn gsm nemen om wat te surfen op het world wide net.
“Mechelen?”hoorde hij plots weer en daar stond die zwarte kerel weer. Ditmaal had hij een adreskaartje vast.
“Mechelen?” zei hij weer en hij duwde het kaartje onder Joost’ neus.
‘Merksem’ las Joost, ‘ advokaat Vanelst,Merksem’.
Joost zuchtte.
“Aha Merksem, da’s wat anders dan Mechelen hee, ja dan kunde me maai mee menier !” De zwarte lachte breed en stapte de bus op.
Een andere vreemde kwam er aan. Zwarte snor, haar naar boven gehouden door strong gel en stoppelbaard, het pototype van de moderne Turk.
“Loebal?” zei de jongeman.
“Loebal?” herhaalde Joost.
“Ja, loebal !”
“Ah luchtbal bedoelde misschien , ja ik raaij nor de loebal !” zei Joost.
‘Jongens , jongens, da weurt wer zonen dag , hemmek al lank gezien!’ dacht hij nog. Ondertussen zat de bus vrij vol.
 
En om stipt vijf voor twee gooide Joost de deuren dicht en verliet hij het perron. Een vreemde man en vrouw kwamen nog aangelopen. Joost stopte niet meer, mocht ook niet van de baas.
“Fuck you “riep de man hem nog na.
“Ja fuck you” riep zijn vrouw.
Beiden toonden hem hun middelvinger.
‘Mohammed zou het moeten zien zo’n gedrag’ mompelde hij.
Dan reed hij verder de hoek om en het afstapbelletje ging al. Dat haatte hij zo, mensen die voor één halte een bus namen, met dit mooie weer, dus wat deed Joost dan; hij reed zo traag mogelijk naar de volgende halte. Daar deed hij eerst de voordeuren open en dan pas de achterdeuren. Enkele vreemden gaven hem de bekende boze blik, die blik die boekdelen sprak, een blik van ongenoegen….

“Ga mor nor UNIA klagen mannekes” zei Joost en hij reed weg. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
© yvespfgoudket. Dit werk blijft te allen tijde eigendom van de auteur. Zonder zijn/haar toestemming mag dit werk niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen.
Nota:
Profiel foto van monkey
Je bent buschauffeur of je bent het niet.
Leuk vertelt, de belevenissen van een chauffeur.
 
Profiel foto van De Vos
Zeer leuk en herkenbaar met Antwerpen als locatie.
Je bent overduidelijk van mijn geboortestad. Wij hebben in onze kennissenkring een tramchauffeur van de lijn, voorheen was hij buschauffeur, en de verhalen die hij soms vertelt zijn een weerslag van wat jij hier neerschrijft.
G'et da goe gedoan manneke...