Welkom op Web Tales

De meest innovatieve schrijverswebsite in de Nederlandse taal


Lokken is een kunst XIX: Waar blijft de zuster? (2019)


Geschreven door Eichnon
11 februari 2019 00:36
Categorie: Vervolgverhaal

vorig deel: Lokken is een kunst XVIII - Sneeuwwitje en de dansende kamer (2019)
volgend deel: Lokken is een kunst XX: Het ontbijtmeisje ( 2019 )

Leestijd: ca. 9 min.
Aantal keer gelezen: 94 Aantal reacties: 6
Aantal leden : 0
 0
De Auteur wil graag inhoudelijk en technisch commentaar op zijn werk

Korte duiding voor wie nog nooit een deel van dit verhaal gelezen heeft. Alle anderen mogen doorgaan naar de titel.
'Lokken is een kunst' is een verhalenreeks die gaat over een man die als sociaal onaangepast en een beetje vreemd bestempeld mag worden. Hij verzamelt haarlokken, tot heden alleen maar van vrouwen, die hij meestal niet op de meest ethische manier bemachtigt en waarvan hij de geur inademt zodat hij een zicht krijgt op het leven dat erachter huist. Hij wordt hierbij bijgestaan door een mes (staal), waarmee hij communiceert en dat hem zelfs regelmatig in een bepaalde richting stuurt. 



Waar blijft de zuster?
 
 
“Oh Josh, waarom heb je me bedrogen. Wat heeft Lindsay dat ik niet heb?”
“Stomme kut, kijk dan ook hoe je eruit ziet. Je kop lijkt wel gevuld met hete lucht en klaar om op te stijgen terwijl je blubberende lijf zielloos achterblijft. Klim toch in een boom en sterf!”
Drie koppen draaien verstoord en kijken me aan met blikken vol ongeloof en walging.
Mijn woorden galmen nog na in echo’s die bevestigen dat ze niet enkel hoorbaar waren in mijn hoofd. Hoewel mijn woorden uit pure emotie bestonden, was het toch niet de bedoeling om ze te delen met mijn kamergenoten.  Beschaamd ben ik niet, eerder geïrriteerd en nu al verveeld door de reactie die ongetwijfeld volgt.
“Zo praat je niet over Linda” bevestigt de man in het dichtstbijzijnde bed vermanend mijn vermoeden.  De twee andere mannen grommen instemmend.  De sfeer in de kamer, die al niet erg feestelijk was, wordt met de minuut grimmiger. Ik wil ze hier niet, de  drie idioten in pyjama, die bezeten door de kijkkast en zijn inhoud, mijn verblijf in deze klinische omgeving tot een ware hel maken.
 
Na enkele dagen in een donkere kamer, alleen en badend in zeeën van rust, was de dokter bij me gekomen. Met zijn typisch schrapende doktersstem bracht hij goede tijding, of zo leek het althans.
“Indien iemand u naar huis kan voeren mag u het ziekenhuis verlaten, meneer. U dient nog wel te rusten en licht en geluid zoveel mogelijk te mijden.”
De dokter had ernstig gekeken terwijl hij met zijn fijn gemanicuurde handen door een aantal papieren bladerde. Statistieken en getalletjes. Onzin.
“Euh…”
Hoewel het vooruitzicht van absolute rust en kalmte in mijn eigen vertrouwde thuis aanlokkelijk was, ratelden en sputterden mijn hersenen als een kapotte motor. Verwoed zocht ik naar woorden die weigerden zich in een volzin te plaatsen.
“Nee…euhm,…dokter, te voet…misschien Flora – ik denk het niet…taxi – bus. Is bus goed?”
Even was de dokter gestopt met het interpreteren van de onzin op zijn bladen en had me op doktersachtige wijze indringend aangekeken.  
“Is er iemand die u kan oppikken? Uw partner, een vriend, familie? De bus lijkt me geen goed idee.”
 Met lege ogen had ik hem aangekeken, tot ik uiteindelijk triest het hoofd schudde.
“Misschien blijft u beter nog een nachtje ter observatie. U klinkt nog een beetje verward. We kunnen u echt niet op eigen houtje laten vertrekken. Verzekeringen en zo…”
 
Ontevreden met de uitkomst van dit gesprek, besloot ik toch de troefkaart ‘Flora’ uit te spelen. Hoewel ik geen behoefte had om haar te zien, was ik natuurlijk nog wel steeds haar persoonlijke held. Ongetwijfeld zou ze bereid zijn me op te pikken met haar zilveren schicht.
“Flora wie?”
“Flora, de vrouw die bij me was in de ambulance. Ze werkt bij de politie.”
Het antwoord van de dokter liet te lang op zich wachten. Bijtend op zijn pen zag ik hoe hij zijn antwoord overwoog terwijl een kramp zich balde in mijn maagstreek. Zijn twijfel creëerde een onrust die het heilzame effect van de verduisterde kamer volledig liet verdampen.
“Ik vrees dat mevrouw geen optie is. Ze verblijft momenteel op onze psychiatrische afdeling en voorlopig mag ze die nog niet verlaten.”
Zijn woorden lieten de bal in mijn maag exploderen, gevolgd door een schokgolf die de tranen vrijelijk liet stromen over mijn wangen.  Hoe kon ze zo egoïstisch zijn, me zo aan mijn lot overlaten.
“Ze was wel wat labiel…”  
Alsof ik net een groot geheim verteld had, had de dokter zijn pen genomen en wat hanenpoten neergekribbeld, ondertussen mijn woorden herhalend die blijkbaar luidop gesproken waren.
“Labiel… punt. Ik begrijp dat deze informatie moeilijk te verwerken is, maar u moet toch proberen te rusten. Momenteel is  het nog niet duidelijk wanneer u, euh…” Hij onderbrak zijn zin en keek me aan, een pauze die oneindig leek te duren en pas voorbij was nadat hij door zijn papieren gebladerd had.
“Ah ja… Flora. Wanneer u Flora mag bezoeken.”
Ik liet hem in zijn waan. Er was geen enkele behoefte meer om Flora te zien. Er was alleen nog behoefte aan rust.
 
Het uiteindelijke resultaat is een ziekenhuiskamer die ik moet delen met drie mannen die zo leeg zijn dat je er bijna door kan kijken en een ziekenhuiskleed dat mijn billen maar half bedekt. Of ik iemand had die even een pyjama kon brengen? Trut, dan was ik nu al lang thuis. Of ik een pyjama wou kopen?
In stilte had de dame in het wit mijn antwoord aangehoord. Of ze zich even langs een rasp wou schuren. Of het niet beter was dat ik haar een spuitje gaf. Het was misschien scherp geformuleerd, maar wel duidelijk. Haar door tijd verweerde gezicht had plots nog meer rimpeling vertoond, om daarna op bijna botoxiaanse wijze te verstrakken. Professioneel als ze was had ze haar antwoord ingeslikt en was in stilte weggewaggeld als een door botulisme geteisterde eend. Triomfantelijk had ik naar de drie mannen gekeken, die plots erg stil, mijn blik hadden ontweken.
 
Even later had een andere zuster me mijn ziekenhuiskleed gebracht. Haar uitstraling was streng, wat nog in de hand gewerkt werd door haar bril en strak achteruit getrokken haren. Ik vermoedde dat ze voor haar bezoek aan mij, eerst nog een citroen gegeten had, maar beleefd hield ik mijn mond. Woordeloos had ze me mijn nachtplunje aangereikt: een soort witte medische jurk met een rij drukknopen aan de achterkant die er niet in slaagden langer dan een halfuurtje gesloten te blijven.
Hoewel het stuk stof me niet echt plezierde  had ik de zuster wel bedankt en er zelfs een glimlach bij geschonken.
Als antwoord had ze alleen een vlammende blik verstuurd. Een actie die mijn bloed deed koken en ervoor zorgde dat in mijn gekrenkt beleefdheidsgevoel een brandende woede werd ontstoken. Er plopte iets in mijn oren en een monotone ‘tuut’ galmde zichzelf mijn hoofd binnen en verduisterde mijn blinden.
 
“Onbeleefde trut,” fluisterde ik zacht voor me uit, alsof ik niemand specifiek viseerde. Toch had ze de boodschap begrepen. Ook zij verstrakte en alsof alle verpleegsters op leeftijd zich verdiepen in de gang van kinderboerderijvogels, had ze zich omgedraaid en was in een driftige ganzenpas richting deur gewaggeld. Even wilde ik haar nog iets naroepen over een zwanenzang , maar één van mijn collega’s was net een fractie sneller om de zielige uittocht van de zuster te stoppen.
“Zuster, zuster! Ik …euh…”
Zijn beschaamde blik vertelde wat hij niet durfde toegeven.
Vol leedvermaak had ik toegekeken hoe ze op haar ganzenpassen was teruggekeerd tot bij de om hulp vragende man, waarna ze met een ruk het gordijn voor mijn blikveld schoof. In gedachte zag ik hoe ze een doorgezeken broek verving terwijl het gele vocht in haar open schoenen druppelde. Ondanks de nog steeds weerkaatsende ‘tuut’ en de daarmee gepaard gaande pijn, bleek het toch onmogelijk een spontaan bloesemende glimlach te onderdrukken.
 
 Het echte probleem van mijn drie kamergenoten was me  snel duidelijk. Alle drie hebben ze last van een losse tong en de neiging hun medische aandoeningen superieur te wanen aan alle andere kwaaltjes en gebreken. Eindeloze woordenstromen spuiden ze reeds, over hoeveel pijn ze wel lijden, hoe erg het wel is. Drie aanstellers in hun eigen cocon. Geen van hen kent pijn. Geen van hen voelt de scherpe sneden die door mijn hoofd rijten elke keer zij met hun krakende en van emotie doortrokken stemmen opnieuw en opnieuw het verhaal van hun teloorgang herhalen.
“En jij? Ah ja, niemand om je op te halen.”
 
Speciaal voor mij werd de kamer licht verduisterd. Niet veel, net genoeg om niet scherp te kunnen zien. De jongens werd gevraagd stil te zijn en me mijn noodzakelijke rust te gunnen, maar dit bleek een utopie. Het is nu eenmaal de natuur van jongens die samen op kamp zijn om te feesten als was het elke dag carnaval. Het eerste half uur was alles rustig gebleven tot één van de mannen plots een vette knipoog gaf en vol overgave begon te kermen. De andere twee reageerden prompt met schelle uitroepen als ‘zuster’ en nog eens,  ‘zuster’. Hun kreten sneden mijn buis van Eustachius in repen terwijl er vanuit de gang gedempte belsignalen klonken. Eén van de mannen, gebrild en getooid met een witte bles die zijn nakende kaalheid moest verhullen maar daar niet in slaagde, drukte onophoudelijk op het belletje. Ook hij kermde alsof zijn appendix op ontploffen stond. De derde man die er uitzag als een onverwoestbare grizzlybeer en van de dokter bedarrest had gekregen, bleef onverminderd schreeuwen met een veel te hoog stemmetje dat helemaal niet bij zijn postuur paste.
Traag, aritmisch en in de verkeerde toon kwam al het geluid bij me binnen. Vijftien lange minuten duurde het voor er niet één, maar twee zusters de kamer binnenkwamen. Deze twee donderwolkende verschijningen van witte professionaliteit hadden maar één doel: de rust herstellen.
“Zuster, mijn bed ligt niet goed. Ik voel een bultje.”
“Zuster, kan u voor mij sigaretten kopen?”
“Zuster, ik moet plassen.”
“En u, meneer?”
Streng had één van de vrouwen me aangekeken alsof ik er iets mee te maken had. Haar blik had mijn keel omkneld met een wurggreep, maar toch verwachtte ze een antwoord.
“Ik….euh, …niks…tenzij die sigaretten een optie zijn.”
Ze had niet eens geglimlacht.
“Innemen”. Op haar geopende handpalm rustte een pilletje, half rood, half blauw en in haar andere hand hield ze een plastic bekertje met water.  Haar houding was er overduidelijk één die geen tegenspraak duldde.
Gehoorzaam had ik geslikt. Het bekertje kneep ik krakend fijn als daad van burgerlijke ongehoorzaamheid. Haar reactie werd vertroebeld door een snel toenemende duisternis die zich in mijn hoofd verzamelde en zich hulde in witte mist.
‘Pilletjes horen niet zo snel te werken’ was mijn laatste bewuste gedachte.
 
De rust is ondertussen al lang verdreven en mijn hoofd gonst door een opeenstapeling van geluiden. Het verkeert in een staat van permanente ruis.
“Oh Josh, ga niet bij me weg.”
De drie mannen turen vol ingehouden spanning naar het beeldscherm. In alle stilte open ik het kastje naast mijn bed. Van zodra het deurtje openzwaait, ruik ik het intense aroma dat in golven uit het kastje walmt en voorzichtig neem ik de lokken van het ambulancemeisje en het staal bij me in bed. Ik voel hoe het staal koel pulseert en me enige helderheid geeft terwijl de lokken me doen zweven langs werelden waar geen verpleegsters zijn en ik, gewoon mezelf.
 
“Duw maar,” fluistert het staal.
Ik geef een vette knipoog die niemand ziet en vol overgave druk ik op het belletje dat ergens verderop in de gang de verpleging sommeert. In spanning wacht ik af terwijl ik  toekijk hoe Josh Linda toch verlaat.
Eén minuut verstrijkt, worden er twee en vier. Josh ligt ondertussen met een andere vrouw te keuvelen op een dekentje, ergens in een idyllisch park. Een actie die mijn kamergenoten licht nerveus lijkt te maken. Tien minuten vervliegen, vijftien minuten. Nogmaals druk ik , langer nu, terwijl een aantal vrouwen dansend door het leven gaan omdat ze maandverband mogen dragen. Hun brede lach en anti-lekrandjes verdringen dankzij hun commerciële karakter de overspelige Josh van de beeldbuis. Weer tikken twee minuten weg en nog steeds zijn er geen aanstormende verpleegsters die barstend van motivatie klaar staan om te helpen.
Maandverbanden worden vervangen door afwastabletten die je glazen en servies weer helemaal nieuw maken. Naast me merk ik dat de beer bezoek heeft gehad van het zandmannetje en het moeilijk krijgt om zijn focus te behouden nu de reclame de fakkel heeft overgenomen. Zachtjes zinkt hij weg en beetje bij beetje verliest hij het gevecht tegen de slaap.
 
 “Volgens mij is hij dood”, fluister ik zacht. Zacht, maar net luid genoeg om het als een geheim te doen klinken. De man, twee bedden verder kijkt geschrokken op, zijn gezicht gruwelijk vervormd door het licht van het televisietoestel.
“Dood?”
Zijn gefluister is bijna niet te verstaan, maar de bevende vinger waarmee hij wijst spreekt boekdelen.
“Ja, ik denk het wel.”
Ook de interesse van de andere man is hiermee gewekt. Met grote verwilderde ogen kijkt hij me aan.
“Dood???” schreeuwt hij door de kamer en begint als een razende op zijn belletje te duwen.
“Ja, ja, hij is dood!!!” De man, twee bedden verder, beantwoordt het geschreeuw. Ook hij ramt ondertussen als een gek op zijn drukknop alsof hij een kandidaat is in een tv-quiz waar voor vele euro’s gespeeld wordt.
 
“Dood? Dood! Wie?”
Door de overvloed aan decibels en het gebruik van het woord ‘dood’ is de man naast me weer levend en wel herrezen. Zonder verder enig besef van tijd en ruimte te hebben neemt hij zijn buzzer in de hand en vervoegt zijn twee compagnons in hun chaotische concerto. Tevreden nestel ik me onder de lakens, streel het staal en inhaleer de geur van de lokken. Dadelijk wordt de luidruchtige chaos uit mijn hoofd verdrongen en vertoef ik in een bel van rust die zich bevindt tussen twee werelden.
Ik sluit mijn ogen en geniet van het gedempte, onophoudelijke zoemen en bellen dat weerklinkt vanop de gang.
“Slaap zacht”, fluister ik onder het deken.
“Slaap zacht”, galmt het in mijn hoofd.
 
© Eichnon. Dit werk blijft te allen tijde eigendom van de auteur. Zonder zijn/haar toestemming mag dit werk niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen.
Nota:
leuk gevonden door: Breinpijn, September
Profiel foto van Breinpijn
Parblue, wat een verhaal! Het moet gezegd; onze held is eigenlijk op zijn manier best slim als het gaat om moeilijkheden/stekeligheden op te lossen. Soms ook met verovering van eigen gewin. Ik moest ontzettendgrijnzen toen ik las dat hij ook lijdt aan het hardop zeggen van dingen terwijl hij dat niet of zich er niet van bewust is. Je deeltjes zijn als kleine verhaaltjes die iedere keer weer staan als een huis. Ze lijken lang, maar voor je het weet, ben je er al door. Jezlef achterlatend met aan de en kant een meer dan tevreden gevoel vanwege al dat gelezene en aan de andere kant een immense behoefte om meer te roepen. Ik denk dat ik ook dat belletje maar ga gebruiken. Misschien dat zuster Eichnon vol vaart en emotie mijn beeldbuis binnentippelt met een nieuw verhaal. 
En weet je, iedere keer speur ik naar zwakke kanten of fouten of iets dergelijks, maar dat lukt me gewoon niet. Ik word gewoon meer meegezogen in de hoofdchaos van de held. Ja, ik vind wel eens een klein taalfoutje, maar daarna houdt het ook op wat betekent dat je een meesterschrijver bent. Had ik dat al eens geroepen? Vast wel! Maar wees alert want ik blijf het roepen. 

Mijn woorden galmen nog na in echo’s die bevestigen dat mijn ze niet enkel hoorbaar waren in mijn hoofd.> volgens mij kan de tweede ‘mijn’ weg

 

Bedankt Breinpijn, voor wederom een uiterst positieve reactie. Zelf heb ik het gevoel dat er schrijftechnisch nog wel wat marge tot verbetering is in dit stuk, maar ik wacht de reactie van de goegemeente af. 
Ik ben ook wel benieuwd of je het switchen tussen heden en verleden makkelijk kon verwerken en of het ergens stoorde. 

Zuster Eichnon zit trouwens steeds vol emotie, maar wil ook de site niet platwalsen met dagelijkse verhalen van 9 minuten. Het is net als lekker eten. Als je het elke dag eet wordt het gewoon, als het maar af en toe eet, blijft het iets om naar uit te kijken. 

Ach ja, die foutjes. Meestal zitten ze in stukjes die ik aangepast heb en er dan toch nog een fout in schrijf of vergeet om woorden weg te halen. Ergens moet je stoppen met veranderen. 
Hartelijk bedankt dus om me even op mijn slordigheid te wijzen, want je had helemaal gelijk. Wel fijn hoe je nog 'volgens mij' zegt, terwijl je er met de beste wil van de wereld geen correcte zin in kon zien. 

Eerst nog een kubbverhaal maken en dan volgen er weer 'lokken'

<img src='img/smileys/jump2.gif' alt='(!)' Title='(!)'><img src='img/smileys/jump3.gif' alt='(me)' Title='(me)'> ja, ja, kubben moet het zijn!!! Rustig aan, hoor, ik heb de tijd. Ik kan me wel in je verhaal vinden dat je af en toe iets plaatst teneinde die ‘honger’ te blijven opwekken. Eigenlijk heel slim en ik moet me natuurlijk gewoon inhouden.

hehe, dat moet ik zelf ook.
Profiel foto van Twicedoubleyou
Eichnon, wat gaaf! Ik lees je (voor mij) eerste 9 minuten verhaal en ik vind het subliem.. Al die hersenkronkels, wat een mafketel eerste klas.. Herman Brusselmans-stijl, maar dan anders. Ik lees een creatief brein en ik heb vaak hardop moeten lachen. Botoxiaans verstrakken, citroenetende zusters, de buis van Eustachius in repen, maar vooral de beelden die de woorden oproepen, het geweldige (en zieke) narcisme in de hoofdpersoon etc.
Goed dat je het aantal verhalen hier doseert trouwens, dat zal vast enige discipline kosten.
In het begin moest ik even zoeken, naar wie is wat; ik val er ook maar zo in. Maar eenmaal on track, leest het als een rauwe trein. 'k Ga zeker meer van je lezen!

Zal het nogmaals moeten lezen om mogelijke taalfouten op te sporen, op het eerste gezicht heb ik ze niet ontdekt.

Wat een heerlijke reactie. Ook altijd fijn wanneer mensen meer van je gaan lezen, ik word er warm van. 

Flora - ( daarvoor vrouwtje Speurneus ) - is een politieagente die hij eerder verheerlijkte tot hij haar lokken oogstte. Hij is haar held, ondanks alle toestanden die hij al veroorzaakte. Zij had een oogje op hem, hij iets minder op haar, maar door haar dominantie zei hij toch 'ja' en van het één kwam het ander. Hij wil eigenlijk van haar af, maar dat blijkt moeilijker dan verwacht. 

Het ambulancemeisje: Zij verzorgde hem in de ambulance en is in tegenstelling tot Flora 'zacht'. Ze is samen met Flora nogal gehavend uit de ziekenwagen gekomen die hem vervoerde. In het vorige deel heeft hij ook haar lokken gescoord. 

Ik denk dat dat voldoende is om volgende keer helemaal mee te zijn. 
Profiel foto van esperanza
Hij weet zich weer te redden in de andere in de maling te nemen. Ik vond ook heel sterk dat Flora (als politie vrouw) in de Psychiatrische afdeling is belanden en hij niet. Erg knap geschreven. Daarbij... hij heeft wat hij wild: de lokken van de verpleegster, kan lekker slapen met zijn mes en door de geur van de lokken lekker dromen. 
Ik heb lekker gelachen... Eichnon. 


 

Ik ben blij dat je hebt kunnen lachen, Sila. Over Flora in de psychiatrie volgt later nog een kort stukje, want inderdaad, dat heeft hij toch weer goed voor elkaar gekregen. De gekste van allen wordt van niets verdacht. Hij is niet de meest sympathieke, maar hij spartelt overal tussendoor.
Fijn dat je kwam lezen.
Profiel foto van De Vos
Alweer meesterlijk

Dank, Eric. Meer woorden heb ik niet nodig om op te lichten als een gloeidraad. 

Zoals ik eerder al had gevreesd zijn al mijn superlatieven opgebruikt. Eigenlijk kan je gewoon een "copy - paste" doen van al mijn vorige reacties en die achter elkaar plaatsen.

Zolang je me maar wijst op die barst, die rafelige scheur, een scheve zin of misplaatst woord. 
Al lezend, voel ik me intussen helemaal thuis in je verhaal..iets wat voor mij niet vanzelfsprekend was.
Ik lees als het ware op de tast, en nu vlieg ik er doorheen, om het in alle rust daarna nog eens te lezen.
Nieuwe personages, de verwikkelingen rond de gebeurtenissen, de drie leeghoofden, verbijstering om zoveel..
Warempel humor nu de boventoon voert, erg goed vind ik..in deze. Ik kan nog wel veel meer uitweiden,
lof strooien, maar ik ben gewoon een heel tevreden lezer. Vergenoegd over zoveel vermaak, ontluisterend.
Wel nog vroeg ik mij af, moet je er heel erg voor knokken, om dit allemaal naar boven te halen,
of schrijf je al voor je pen uit..dankjewel.<img src='img/smileys/smile1.gif' alt=':)' Title=':)'>
 

Bedankt Puck. Mijn hoofd in de wolken. 
Je stelt me wel een moeilijke vraag. 

Schrijven gebeurt op verschillende manieren bij mij. Bij het 'lokken' verhaal ga ik gewoon verder waar ik gestopt ben. Ik heb wel een vaag idee van wat ongeveer de finale moet gaan worden, er zijn ook al een hoop delen geschreven, maar het einde nog niet. Ik weet dus een aantal dingen die nog te gebeuren staan, maar een hoop dingen zijn nog onbekend. 
Ik ga verder waar het vorige deel gestopt is, of begin een nieuw zijweggetje. Vaak komt het natuurlijk tijdens het schrijven.

Andere ideeën spoken al jaren door mijn hoofd, zijn al zo goed als geschreven, alleen nog niet vereeuwigd in letters op papier. Dat blijkt dan weer moeilijker om te schrijven, want dan wil ik het van de eerste keer perfect. Vaak zie ik het gebeuren, maar is het niet zo evident om het perfect te verwoorden. 
Bij 'wild' schrijven komt wat komt en schaaf ik het nadien bij. Om de één of andere reden lukt het me beter om op die manier 'tijd' te nemen. 

Dankjewel, onuitputtelijk de woordenstroom..
bijzonder al die kamertjes in je hoofd.<img src='img/smileys/smile1.gif' alt=':)' Title=':)'>
Profiel foto van September
Dit vervolgdeel heb ik meerdere malen herlezen en het mooie is dat je dan telkens nieuwe zaken ontdekt of het verhaal nog meer uitwaaiert. Waarschijnlijk vanwege de inhoud en meesterlijke omschrijvingen en verhaallijnen en natuurlijk de onverwachte wending die elk deel kenmerkt. Dit deel was ook meesterlijk geschreven. In een ziekenhuis van de nood een deugd maken op de minst verwachte ( in elk geval niet door dokters, zusters en zaalbewoners, en natuurlijk als lezer) maar wel zeer humorvolle manier. Ik vond het uitermate vermakelijk geschreven. Ook hoe hij door de mazen van elk net weet te glippen en Flora ''geneutraliseerd'' lijkt te zijn op verrassende wijze en hij de situatie zodanig naar zijn brein en hand weet te zetten dat hij kan dromen over de laatste aanwinst ( de lokken van het ambulancemeisje) en in samenspraak met zijn vriend, het staal. De dialogen en hardop uitgesproken spinsels en gedachten geven het deel ook echt meerwaarde en zijn een genoegen om te lezen. Mooie woord en zinsvondsten te over. Helemaal mooi en goed dus :)  

Ik ben blij dat je bij het herlezen nieuwe dingen ontdekt, zodat herlezen ook een meerwaarde heeft. Ik vind het allemaal weer uiterst fijn om te lezen. Een warme douche van mooie, lovende woorden. 
En ja, het ziekenhuis hoeft niet saai te zijn, zolang je maar op de juiste knopjes drukt. 
Erg blij met je volgen, bedankt.