Welkom op Web Tales

De meest innovatieve schrijverswebsite in de Nederlandse taal


Het regent zombies [2/2]


Geschreven door Zombie
18 februari 2013 09:08
Categorie: Horror

Leestijd: ca. 8 min.
Aantal keer gelezen: 1030 Aantal reacties: 6
Aantal leden : 1
 0
Dit werk heeft op de voorpagina in de spotlight gestaanDe Auteur wil graag inhoudelijk en technisch commentaar op zijn werk
Het regent zombies [2/2]

Ik weet niet hoe ik het volhield, maar uiteindelijk – na wat uren leek – had ik mijzelf weer in de hand. Eindelijk kon ik het kind dat tegen mij aanlag weer als een mens zien en niet als slechts een zak vlees en botten. Ik wreef het speeksel van mijn kin en liet mijn armen voorzichtig langs het meisje zakken. Voor een moment bang dat ik haar alsnog zou beetpakken, maar ik wist me te ontspannen en bedankte niemand in het bijzonder voor de kracht waarmee ik tegen mijn honger kon vechten. “Bent u daar nog?” Het kwam zo onverwachts dat ik verstijfde, nog verder dan dat mijn lichaam al verstijfd was. Het was het meisje. Ze praatte tegen me. Ze praatte tegen me! Ik gaf antwoord op haar vraag en alle andere vragen die volgden. “Gaat u me nu opeten?” vroeg ze ten slotte. “Nee, meisje, je moet leren verder te kijken dan het uiterlijk. Ik ga je niet opeten. Ik heb honger, maar ik ga je niet opeten. Ik zal je naar de andere mensen brengen.” Ik opende de deur van de voorraadkast en samen – hand in hand – gingen we op weg.
 
Het was een gevaarlijke tocht, maar ik was blij dat ik iemand had om te beschermen. We verscholen ons achter auto’s, struiken en containers, tot we bij een supermarkt kwamen. Ik hees het meisje in een winkelkarretje en legde er een groot hoeslaken – dat we aan de waslijn in een verlaten achtertuin vonden – overheen. Nu het meisje verborgen was, was ik weer even oninteressant voor mijn soortgenoten als de dag ervoor. Af en toe keek een zombie om bij het horen van het winkelkarretje, maar hun aandacht kon het – gelukkig – niet lang vasthouden. Met een omweg kwamen we eindelijk in de buurt van de plek waarvan ik verwachtte dat er nog mensen zouden zijn; het gebarricadeerde politiebureau. Terwijl ik het karretje rustig voortduwde, zag ik dat de ondode creaturen in de straten steeds meer aandacht voor mij en mijn winkelkarretje kregen. Ik versnelde mijn pas twee, drie keer, tot ik bijna rende. Het was alsof de stoet volgelingen lange tijd niet dichterbij durfde te komen, maar opeens, zonder waarschuwing, renden ze achter mij aan. Ik vluchtte – met het winkelkarretje – een openstaande werkplaats in. De zware deur sloot net op tijd. In paniek trok ik het hoeslaken weg en zag het meisje ineengedoken, met dichtgeknepen ogen, in het karretje liggen. Ze gaf geen kik, ze was zo moedig. Samen renden we over de trappen van het huis boven de werkplaats, tot we de kleine zolder bereikten.
 
Het meisje kroop tegen mij aan. “Ik heb honger,” zuchtte ze, maar zei verder niets. “Ik ook,” zuchtte ik op mijn beurt en wachtte geduldig tot ze in slaap viel. Vechtend tegen de honger besloot ik dat het beter was om haar alleen op de zolder te laten slapen. Ik legde haar op een paar muffe dekens en daalde af naar de tweede verdieping, waar ik in het raamkozijn plaats nam en naar mijn broeders en zusters keek. Ongeveer twintig van mijn soortgenoten stonden voor de grote deur van de werkplaats. Ze sloegen met vlakke handen op het dikke hout en kreunden vol ongenoegen. Het werd langzaam donker en later werd het weer licht, en het enige wat de zombies hadden gedaan was hetzelfde als wat ze deden sinds ik ons in het huis had opgesloten. Op een rare manier kreeg ik medelijden met ze. Ik wist dat ze het meisje met huid en haar zouden opvreten als ik ze daar de kans toe gaf, maar hun bestaan leek zo doelloos en leeg, zo zielig. Zouden ze voor altijd voor de deur blijven staan, als ze dachten dat er een levend mens in het huis was?
 
“Meneer? Meneer!” klonk het niet veel later van de zolder. “Ik ben hier kleine meid, maar we moeten vertrekken.” Ik had vanuit het raam aan de achterkant van het huis gezien dat mijn intelligentieloze soortgenoten slechts via één weg het huis probeerden binnen te komen. We ontsnapten via de achterdeur en bereikten via een hoop klim- en kruipwerk door een reeks van achtertuinen de parkeerplaats achter het politiebureau. Het was een grote parkeerplaats met weinig auto’s. Er waren geen zombies te zien, maar het gebouw waar ik het meisje naartoe wilde brengen lag honderden meters van ons vandaan. Ik was misschien niet dezelfde jager als mijn soortgenoten, maar ik wist dat ik meer beschutting nodig had op deze open vlakte dan de paar auto’s die er stonden. Veel meer beschutting. Terwijl het meisje stilletjes achter mij stond, rende ik in gedachten naar de gebarricadeerde achterdeur. Ik probeerde in te schatten hoeveel tijd het ons zou kosten, hoe groot de kans was dat ik de kleine meid in veiligheid kon brengen. Toen ik mezelf in gedachten voor de deur zag staan realiseerde ik me plotseling dat ik tot dan toen alleen aan het meisje had gedacht. Wat zou ik doen als ik daar stond? Wat zouden de mensen doen? Zouden ze me wel binnen laten als ze zagen dat ik het meisje had gered?
 
Ik besloot het erop te wagen. Met het meisje in mijn armen rende ik over de parkeerplaats, van auto naar auto. Het eerste stuk ging goed en ik werd steeds optimistischer over onze kansen. De last op mijn schouders leek steeds lichter te worden. We zouden het politiebureau bereiken en het meisje zou veilig zijn. En ik, ik zou hen uitleggen dat ik anders was dan de zombies. En de mensen zouden me binnen laten, omdat ze net als ik intelligente wezens waren. Mijn gedachten werden echter bruut verstoord door het misselijkmakende gorgelen van één van mijn broeders, die in blinde razernij op ons af kwam rennen. Al snel waren het er meer, tien, twintig. Hun bebloede lichamen hevig toegetakeld in de chaos van de afgelopen dagen en hun ogen slechts op één ding gericht; het bange mensje in mijn armen. Met dezelfde wanhopige gedrevenheid als mijn achtervolgers rende ik op het gebouw af, waar ze ons aan zagen komen en de deur openden. Het duurde niet lang voor ze zagen wat ik was. De lopen van de pistolen en geweren die ze in de aanslag hadden verschoven van mijn soortgenoten naar mij. Ik vertraagde en riep dat ze niets van mij te vrezen hadden, dat ik een klein meisje bij me had. Ik zag de aarzeling en stapte stevig door. Ik durfde niet meer te rennen; bang dat ze zouden schieten. Het gat tussen mij en mijn razende broeders en zusters werd kleiner en kleiner. Een paar meter voor de deur, voor de dreigende wapens, zette ik het meisje op de grond. Ze keek op naar mij en ik probeerde een glimlach te forceren met de stijve spieren in mijn gezicht, terwijl ik haar richting de mannen voor mij duwde. Een vrouw ving haar op, toen ze na een korte aarzeling naar binnen rende. Ik voelde iets – of het leek in ieder geval op een gevoel – van geluk en stapte voorzichtig op de mannen af. “Ga weg! Je komt er niet in, monster!”
 
Nog één extra stap bewees mijn naïviteit. Ik had te veel vertrouwen in de mensen gehad. Een eerste schot klonk en een kogel boorde zich in mijn maagstreek. Ik hoorde het meisje nog gillen. Dat ze niet mochten schieten, dat ik haar vriend was. Ze luisterden niet. Een tweede kogel, recht in mijn hart. Het was alsof ik met de inslag plotseling herinnerde dat ik vroeger één van hen was. Ik zakte instinctief op de grond en greep naar mijn hart. Het enige wat ik nog kon zien was het einde. De mannen bleven schieten, op mijn broeders en zusters achter mij, maar het bulderen van hun wapens viel weg bij het gehuil van het meisje. Ze huilde om mij.
 
De instincten van de mens die ik ooit was bleken ongelijk te hebben. Het was niet mijn einde. Ik kwam langzaam overeind en zag de mannen de deuren sluiten en de barricades opwerpen, terwijl een aantal van hen nog op hun vijanden – mijn soortgenoten – schoot. Eén van hen zag mij. Zijn verwondering was groot, omdat ik na mijn val weer overeind kwam, maar zijn vinger kende geen rede. Opnieuw troffen kogels mijn lichaam. Ik schreeuwde nog dat ik hen niets aan zou doen, dat ik al wegging, maar het mocht niet baten. Na een treffer in mijn onderrug, boorde een kogel zich in mijn linker knieschijf. Met een harde klap smakte ik tegen het asfalt. Ik begon mezelf voort te slepen richting de veiligheid van een auto. Ik weet niet hoeveel kogels er nog in mijn lichaam verdwenen, maar ik denk dat de stormloop van de zombies mijn redding was. Gebroken lag ik achter de auto, terwijl mijn broeders en zusters op de gesloten deuren en ramen beukten.
 
Veel later, misschien wel twee dagen, braken de zombies door de barricades. Eerst aan de voorkant, maar de achterkant volgde snel. Wanhopig geschreeuw en geweerschoten klonken door elkaar, terwijl het politiebureau werd overspoeld met kannibalistische razernij. Niet veel later zwegen de pistolen en geweren en was alleen nog geschreeuw en gehuil te horen. Toen uiteindelijk ook dat vreselijke geluid wegstierf, voelde ik me alsof ik met de mensen was gestorven. Als ik kon huilen, had ik gehuild. Om het meisje dat ik wilde redden, maar dankzij mij alsnog ten prooi was gevallen. En om mezelf, want wat moest ik nu?
 
Ik heb nog dagen achter die auto gelegen, misschien zelfs weken. Het werd donker en weer licht en weer donker. Mijn honger groeide en mijn wervelende gedachten kon ik geen halt meer toeroepen. Als een wrak kroop ik het politiebureau in en zocht naar een stuk hout dat ik om mijn been kon binden. Terwijl ik de spalk aan mijn verbrijzelde knie bond, schreeuwde ik mijn longen leeg tegen de zombies die om mij heen zwierven. Alsof ze dan wel antwoord zouden geven. Ik twijfelde kort of ik het meisje zou zoeken, maar zelfs mijn lege, doorboorde hart zou het niet kunnen verdragen om haar gebroken en verscheurde lichaam te aanschouwen. Ik strompelde het gebouw uit, de straat uit en uiteindelijk het stadje uit. Net als veel van mijn soortgenoten, maar met andere motieven. Althans, daar was ik toen nog zeker van.
 
Nu weet ik het niet zo zeker meer. Ik heb veel tijd gehad om na te denken over de mensen. De mensen die ik wilde redden. Ze denken dat ze anders zijn dan wij, meer recht hebben op leven dan wij, maar ik zie het verschil niet echt. Doden om te overleven, daar komt het uiteindelijk altijd op neer en is dus eigenlijk geen enkel levend wezen kwalijk te nemen. De mens echter, doodt niet alleen voor eten of om te beschermen, maar ook om macht, haat, jaloezie en al die andere dingen die ik niet meer voel. Zelfs als zij de luxe hebben om niet meer te hoeven doden om te overleven, faalt de mens om met elkaar en alle andere wezens simpelweg te leven. Misschien hebben de mensen het wel verdiend. Misschien is ons doel – dat van de zombies, die eens zelf mens waren – om deze mooie planeet van onze vroegere soortgenoten te verlossen. Ze noemen ons onmenselijk, maar ze durven zichzelf geen spiegel voor te houden.
 
Nu zit ik hier, op een heuvel net buiten de stad. De vogels – die zich ergens in het bladerdak boven mij hebben verstopt – zingen alsof vandaag een dag als alle anderen is. De meeste brandjes zijn uitgebrand en vanaf hier lijkt het stadje geluidloos te zijn. De mensen sloten mij buiten en mijn soortgenoten begrijpen mij niet. Nog steeds weet ik niet waarom ik hier ben en de honger – oh mijn god, de honger – groeit en groeit. Misschien moet ik maar net doen alsof het ook mij aan enige intelligentie ontbreekt en mijn tanden gewoon eens in zo’n heerlijk sappig nekje zetten. Van een schoolmeisje, of nee, een dikke slagersvrouw. Alstublieft, veroordeelt u mij niet. Ik heb het geprobeerd, maar honger maakt van alle wezens beesten.

© Zombie. Dit werk blijft te allen tijde eigendom van de auteur. Zonder zijn/haar toestemming mag dit werk niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen.
Nota:
volgende werk van deze gebruiker
volgende
volgend werk in de lijst
volgende
volgend Verhaal
volgende
Profiel foto van Henny
Wat een indrukwekkend verhaal. Een verhaal dat mij nog wel even bij blijft. Ik noem dit schrijven, hoor. Van mij twee dikke duimen verdiend waar jij je tanden in mag zetten en er nog eentje om het helemaal af te maken. (y)

Bedankt! :-d
Profiel foto van ragazza
Mooi afgerond met een duidelijke overpeinzing over de menselijkheid van de mens. Ik zag nog wel een kleinigheid: De mens echter, dood niet : doodT Verder niets dan lof en ik hoop dat je dit gegeven ooit uitwerkt tot een boek.

Bedankt voor je fijne complimenten :) En bedankt voor het foutje, die ga ik meteen verbeteren.
Profiel foto van Eichnon
Mooi en pijnlijk confronterend. Men kan proberen wat men wil, maar de aard van het beestje kan men nooit veranderen.

Bedankt voor je complimenten :)
Ik heb beide delen gelezen en vond het indrukwekkend. Jouw schrijfstijl is prettig en leest ook lekker weg. Je bent goed in staat geweest om de lezer mee te slepen in de gedachtenwereld van de hoofdpersoon. Hoewel zombies cliché zijn, blijft het voor mij toch een interessante achtergrond voor een verhaal. De kunst is dan wel om verniewend te zijn - en dat is jou ook wel gelukt doordat je het perspectief hebt verplaatst naar één van de zombies. Dat was echt een aangename verrassing. Eén klein puntje van kritiek: Zelf vind ik het netter om in een dialoog van regel te wisselen, i.p.v. dat je het in één stuk doorschrijft. Bijvoorbeeld dit stukje: “Meneer? Meneer!” klonk het niet veel later van de zolder. “Ik ben hier kleine meid, maar we moeten vertrekken.” Zou je eigenlijk zo moeten schrijven: “Meneer? Meneer!” klonk het niet veel later van de zolder. “Ik ben hier kleine meid, maar we moeten vertrekken.” Ik zie dat dit soort fouten veel worden gemaakt. Het valt bij jou minder op omdat er weinig dialoog in je verhaal zit. Echter zou het bijzonder rommelig en storend zijn wanneer er van veel dialoog gebruik wordt gemaakt en niet duidelijk is wie wat zegt.

Bedankt voor je complimenten en duimpjes! Zombies zijn idd op zichzelf niet origineel, maar het is maar net wat je ermee doet. Ik ben blij te horen dat je mijn verhaal geslaagd vindt. Wat de dialoog betreft heb je helemaal gelijk, maar het is hier een bewuste keuze geweest. Normaal gesproken schrijf ik het wel zoals je hierboven aangeeft. Bij dit verhaal koos ik ervoor om het niet te doen, ook omdat er juist zo weinig dialoog is. Dat zou de tekst lelijker maken, vind ik. Ik heb overigens ook eens een verhaal geschreven waar ik bewust helemaal geen aanhalingtekens heb gebruikt. Ik vind het wel leuk om daarmee te spelen bij korte verhalen. Het is uiteraard als lezer je goed recht om daar niet van te houden :P Nogmaals bedankt :)
Profiel foto van Breinpijn
Daar heb je iets om over na te denken. Je einde is sterk en bevat stof tot filosoferen. Knap gedaan. Hoe zou het het overigens zijn als er alleen maar zombies waren? Zouden ze elkaar te lijf gaan?

Dank je! Alle soorten zombies (en soortgelijken) die ik ken uit verscheidene (strip)boeken en films gaan elkaar niet te lijf, maar wie weet wat er verder nog over ze geschreven is (en zal worden).
Profiel foto van Momoshiro